Apr 5, 2019 — In deze wet wordt aan Groenland wetgevende, bestuurlijke en ook rechterlijke macht verleend, waarbij het. Højesteret als cassatierechter blijft

53 KB – 53 Pages

PAGE – 2 ============
2 INHOUDSOPGAVE Inleiding en aanleiding tot het onderzoek 3 Hoofdstuk 1 Het Koninkrijk der Nederlanden 7 §1. Inleiding 7 §2. Een smalle rechtsband 8 §3. Democratis che vertegenwoordiging 9 §4. Sociaaleconomische verhoudingen 10 §5. Financiën 11 §6. Defensie en openbare orde 11 §7. De beslechting van geschillen 13 Hoofdstuk 2 De Franse Republiek 16 §1. Inleiding 16 §2. Les collectivités territoriales: DrOM, COM en Nieuw – Caledonië 17 §3. Democratische vertegenwoordiging 21 §4. Sociaaleconomische verhouding en financiën 22 §5. Defensie en openbare orde 23 §6. De beslechting van geschillen 23 §7. Conclusie 24 Hoofdstuk 3 Het Koninkri jk Denemarken 25 §1. Inleiding; de structuur van het Deense Rijk 25 §2. De rechtsband tussen Denemarken en de beide andere Rijksdelen 29 §3. Democratische vertegenwoordiging 30 §4. Sociaaleconomische verhoudingen 31 §5. Financiën en openbare orde 31 §6. Defensie 31 §7. De beslechting van ges chillen 32 §8. Conclusie 33 Hoofdstuk 4 Het Verenigd Koninkrijk van Groot – Brittannië en Noord – Ierland 35 §1. Inleiding 35 §2. Veertien Constituties voor ve ertien British Overseas Territories 37 §3. Democratische vertegenwoordiging 39 §4. Sociaaleconomische verhouding en financiën 41 §5. Defensie en openbare orde 42 §6. De beslechting van geschillen 42 §7. Conclusie 43 Hoofdstuk 5. Conclusies 44 §1. De structuur van de staatkundige relaties 44 §2. Democratische vertegenwoordiging 46 §3. Sociaaleconomische verhoudingen en financiën 47 §4. Defensie en openbare orde 48 §5. De beslechting van geschillen 49 §6. Slotopmerkingen 50 Bibliografie 52

PAGE – 3 ============
3 Inleiding en a a nleiding tot het onderzoek De Vaste Commissie Koninkrijksrelaties van de Tweede Kamer der Staten – Generaal heeft in haar jaarplan voor het jaar 2019 een aantal onderwerpen aangemerkt waarop zij kennisversterking nodig acht. Een van die onderwerpen is de ontwikkeling van een toekomstv isie voor het Koninkrijk . Het Koninkrijk der Nederlanden be staat sinds de herziening van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut) in 2010 uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de zogenoemde BES – eilanden) maken deel uit van het staa tsbestel van het land Nederland. De betrekkingen met de overzeese gebieden worden sinds de inwerkingtreding van het Statuut op 15 december 1954 door dat document beheerst. Het Statuut roept een nieuwe rechtsorde binnen het Koninkrijk der Nederlanden in het leven, waarin de thans vier samenstellende delen in beginsel als gelijkberechtigde partners naas t elkaar staan. Ieder der vier L anden behartigt zijn eigen aangelegenheden op autonome grondslag, op basis van een eigen landsconstitutie en door middel va n ei gen organen. Boven de vier L anden staat het Koninkrijk, eveneens voorzien van eigen organen, die de aan het Koninkrijk toekomende taken en bevoegdheden uitoefenen. In deze organen van het Koninkrijk komt echter het wezenlijke verschil tussen Nederla nd en d e andere drie L anden met betrekking tot hun grootte, bevolkingsomvang en economische kracht tot uitdrukking: zij zijn in essentie de organen die uit kracht van de Grondwet als organen van Nederland optreden, aangevuld met vertegenwoordigers van de drie and ere L anden en handelend op grond van procedures waarin voor deze vertegenwoordigers een zekere mate van invloed is ingeruimd, die echter meestal niet beslissend kan worden geno emd. Aan het Koninkrijk zijn uit kracht van het Statuut ma a r op beperkte schaal bevoegdheden toegekend. Hoewel het Statuut ervan uitgaat dat er tussen de L anden van het Koninkrijk op vrijwillige basis samengewerkt kan worden op terreinen w a ar de landen autonoom zijn en dit ook op redelijk grote schaal gebeurt, is er toch tusse n de L a nden van het Koninkrijk een tamelijk beperkte mate van staatkundige integratie: de statutaire rechtsband is er een die gericht is op differentiatie en zelfstandigheid, niet een die gericht is op eenheid en samenwerking. Zo vormen de L anden van het Koninkri jk geen gezamenlijke monetaire unie, geen douane – unie of zelfs maar e en vrijhandelszone, is er g een onbelemmerd verkeer van personen binnen het Koninkrijk en is er geen fiscale eenvor migheid. De Nederlandse staatsburgers van de L anden Aruba, Curaçao en Sin t Maarten worden in de Staten – Generaal niet ve rtegenwoordigd. De aan de vier L anden toekomende staatkundige autonomie is constitutioneel verankerd: het Statuut kan alleen met de instemming van alle deelgenoten worden gewijzigd. Naast de drie Caribische L anden Aruba, Curaçao en Sint M aarten vormen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen deel van het L and Nederland. De grondslag ervoor is gelegen in art. 132a van de Grondwet, en niet (meer) in het Statuut. 1 De drie openbare lichamen (ook wel aangeduid als Caribisch Nederland) zijn dus aanzienlijk vaster aan Nederland verklonken dan de drie andere eilanden. Ze vallen, als deel van Nederland, integraal onder de Grondwet en onder de bevoegdheden van de Nederlan dse wetgever en hun inwoners worden in de Staten – Generaal vertegenwoordigd. De bevoegdheden van de lokale organen zijn goed te vergelijken met die van gemeenten in Nederland. Zij behoren echter niet tot enige provincie en materieel wijkt het in Caribisch N ederland geldende recht v a ak sterk af van het in Europees Nederland geldende recht. Ook Europeesrechtelijk bevinden deze eilanden zich in een volstrekt andere positie dan Europees Nederland. 1 Stb. 2017, 426.

PAGE – 4 ============
4 In het kader van de toekomstvisie voor het Koninkrijk wenst de Commissie een antwoord op de volgende hoofdvraag: Op welke wijze hebben andere staten (de Franse Republiek, het Deense Koninkrijk en het Verenigd Koninkrijk van Groot – Brittannië en Noord – Ierland) de staatsrechtelijke verhoudingen met hun voormalige kolo niën die thans onder het soevereine gezag van deze staten vallen, ingericht? De centrale vraagstelling is onderverdeeld in de volgende deelvragen: 1. Op welke wijze is de staatsrechtelijke overzeese verhouding in de Franse Republiek, het Deense Konink rijk en het Verenigd Koninkrijk van Groot – Brittannië en Noord – Ierland vorm ge geven? 2. Waarin verschillen de verhoudingen onderling? 3. Wat zijn de gevolgen van de verschillende verhoudingen voor de mate van integratie van de overzeese delen in de desbetreffende Europese staten? Daarbij wordt in elk geval aandacht besteed aan het element van d emocratische vertegenwoordiging, het sociaaleconomisch v oorzieningenniveau en financiën , openbare orde en defensie. 4. Op welke wijze is de eventuele geschillenbeslechting tussen de overzeese delen en de Europese staten geregeld? De vraagstelling van de Commissie spitst zich toe op de niet – zelfstandige overzeese landsdelen die onder het soevereine gezag vallen van de Franse Republiek, het Deense Koninkrijk en het Verenigd Koninkrijk van Groot – Brittannië en Noord – Ierland. Er wordt derhalve geen aandacht besteed aan de rechtsverhouding tussen het moederland en voormalige koloniën die onder het volkenrecht zijn te kwalificeren als soevere ine staten, dan wel onder het soevereine gezag van een andere staat vallen. De drie staten hebben, zoals zal blijken uit het navolgende, de verhouding met de overzeese gebieden op een wijze ingekleurd die aansluit bij het constitutionele raamwerk van het m oederland. De Franse Republiek heeft een regeling in de Grondwet met betrekking tot de overzeese gebiedsdelen die deel uitmaken van de Republiek. Deze worden aangeduid met de gemeenschappelijke term Collectivités territoriales , waarvan drie verschillende varianten zijn . Het meest in de Republiek zelf geïntegreerd zijn de – mer (DrOM) die hun grondslag vinden in art. 73 van de Franse Grondwet. Zij vallen kort gezegd integraal onder het commune Franse recht en verschillen d DrOM en hun bevoegdheden worden geregeld in een apart hoofdstuk van het Franse decentrale wetboek de organieke wet Code général collectivités territoriales . Een vers chil ten opzichte van de departementen op het vasteland is dat de overzeese departementen tevens zelf regio zijn en dat op een aantal punten de lokale autoriteiten met toestemming van de formele wetgever de bevoegdheid hebben om van het in de metropool gel dend recht af te wijken. Naast de DrOM kent de Republiek ook – mer (COM), waarvoor art. 74 van de Grondwet de grondslag biedt. Deze hebben anders dan de DrOM formeel in beginsel geen uniforme verhouding tot de Franse staat: hun betrekking met de metropool wordt door een eigen statuut vormgegeven, dat in een organieke wet wordt vastgelegd. In de praktijk vertonen deze organieke wetten, zoals zal blijken uit Hoofdstuk 2 van deze studie, een grote mate van overeenkomstigheid. In de verschillende statuten worden de eigen organen van de COM

PAGE – 5 ============
5 en hun bevoegdheden geregeld, alsmede de bevoegdheden die deze organen hebben om eigen, van het commune Franse recht afwijkende regelingen te scheppen. Daarnaast wordt in deze statuten geregeld op welke wijze en in hoeverre het commune Franse recht daar van toepassing is. Voor zowel de DrOM a ls de COM geldt echter dat art. 73 van de Grondwet vrij strikte grenzen schept waarbinnen de afwijkingen dienen te blijven: deze grenzen zijn voor de DrOM en COM dezelfde. Ten slotte kent Frankrijk nog de in de Stille Zuidzee gelegen eil andengroep Nieuw – Ca ledonië, die niet op grond van art. 73 en 74 van de Grondwet, maar op grond van een eigen hoofdstuk in de Grondwet een sui generis – status heeft. Kort gezegd geniet Nieuw – Caledonië een grote re mate van autonomie dan de andere Franse overzeese gebieden. Zo h eeft de eilandengroep een eigen (Nieuw – Caledonisch) burgerschap met daaraan gekoppelde politieke rechten. De Deense Grondwet vermeldt in haar eerste bepaling dat de Grondwet integraal in werking is voor het gehele Deense Rijk. Deze bepaling is in 1953 in gevoerd om de koloniale status van Groenland te beëindigen. Eerder al, in 1948, hadden de Fær Øer op basis van een formele wet een vrij verregaande vorm van zelfbestuur gekregen en eigen organen om die bevoegdheden uit te oefenen. Deze Z elfbestuurswet ( Hje mmes tyrelov) is in 2005 aang evuld en herzien door een tweetal andere wetten . Groenland heeft in 1979 evenzeer zelfbestuur gekregen op grond van een formele wet, die in 2009 is vervangen door een nieuwe en veel verdergaande wet. Beide gebieden genieten op b asis van deze Z elfbestuurswetten een verregaande vorm van zelfbestuur over hun interne aangelegenheden. Groenland en de Fær Øer mogen ook zelf verdragen sluiten ten aanzien van hun autonome aangelegenheden. Ze worden op grond van de Grondwet beide in het D eense parlement vertegenwoordigd door twee kwaliteitszetels. De Z elfbestuurswetten wijken op een aantal cruciale onderdelen af van de Deense Grondwet: zo kunnen ze alleen herzien worden met medewerking van de lokale wetgevers van Groenland en de Fær Øer ze lf en verschaffen ze de lokale regelgevers bevoegdheden die op grond van de Deense Grondwet aan de formele wetgever (in Kopenhagen) toekomen. De betekenis van art. 1 van de Deense Grondwet wordt daardoor sterk gerelativeerd. De Deense doctri ne gaat ervan u it dat deze Z elfbestuurswetten weliswaar ongrondwettig, maar niet inconstitutioneel zijn, omdat ze de uitdrukking vormen van een norm van ongeschreven constitutioneel recht uit kracht waarvan Groenland en de Fær Øer een zelfbeschikkingsrecht hebben en die voorrang heeft op de Grondwet zelf. Het Verenigd Koninkrijk van Groot – Brittannië en Noord – Ierland kent geen geschreven constitutie en dus ook geen constitutionele regeling voor de verhouding tot de overzeese gebieden. De overzeese gebieden maken geen dee l uit van het Verenigd Koninkrijk, maar vallen onder het soevereine gezag van het Verenigd Koninkrijk. De verhouding van het Verenigd Koninkrijk tot alle veertien resterende overzeese gebieden wordt niet door een eenvormige regeling beheerst: er zijn apart e regelingen voor elk van de gebieden en ze hebben ook onderling afwijkende bestuurssystemen, al zijn die wel gebaseerd op het Britse parlementaire model. Het Verenigd Koninkrijk regelt voor alle overzeese gebieden de buitenlandse betrekkingen en de defens ie. Op grond van de soevereiniteit van de Britse wetgever geniet het parlement van het Verenigd Koninkrijk formeel ook alle wetgevende bevoegdheden die niet aan de overzeese gebieden zijn gedelegeerd en kan het door middel van eenzijdige formele wetgeving deze bevoegdheden ook terugnemen, maar dit gebeurt in de praktijk niet. De Britse nationalen in de overzeese gebieden hebben in beginsel geen stemrecht voor het Britse parlement. Op grond van de hiervoor geschetste beschrijvingen van de fundamentele kenme rken van de staatrechtelijke overzeese verhoudingen tussen de in Europa gelegen metropolen en de overzeese territoria zal een juridisch – dogmatisch onderzoek worden ingesteld om de hoofd – en deelvragen voor de Commissie te beantwoorden. Daarbij zal onderzoe k worden gedaan naar de Franse, Deense, Engelse dan wel overzeese regelgeving ten aanzien van de overzeese gebieden. Daarnaast zal de beschikbare

PAGE – 6 ============
6 literatuur met betrekking tot staatkundige praktijk tussen de metropolen en de overzeese gebieden worden doorg enomen. Zo nodig is gecommuniceerd met medewerkers van het Foreign and Commonwealth Office, dat verantwoordelijk is voor de betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de overzeese gebieden, het Ministère des Outre – mer, het departement ten aanzien van de Franse overzeese gebieden en in Denemarken met medewerkers van het S ta t sministeriet (het D eense equivalent van Al gemene Zaken) dat verantwoordelijk is voor de betrekkingen met Groenland en de Fær Øer . De opzet van het onderzoek is als volgt. Hoofdstuk 1 wordt gewijd aan de staatrechtelijke overzeese verhoudingen in het Koninkrijk der Nederlan den. Teneinde in het concluderende hoofdstuk rechtsvergelijkende uitspraken te doen inzake de verschillende stelsels, is het noodzakelijk het constitutionele recht van het Koninkrijk uiteen te zetten. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 2 aandacht besteed aan de Franse Republiek; in Hoofdstuk 3 aan het Deense Koninkrijk en in Hoofdstuk 4 aan het Ver enigd Koninkrijk. Tot slot worden in het concluderende Hoofdstuk 5 uitspraken gedaan ten aanzien van de overeenkomsten en verschillen tussen het constitutionele b estel van de vier staten met betrekking tot de positie van de overzeese gebieden die onder het soevereine gezag van deze staten vallen. In de Hoofdstukken 1 – 4 worden voor ied ere staat afzonderlijk de Deelvragen 1, 3 en 4 beantwoord. De beantwoording van Deelvra ag 2 en de centrale vraagstelling volgt in het concluderende vijfde hoofdstuk. Ten behoeve van de consistentie wordt in de hoofdstukken 1 – 4 achtereenvolgens een inleiding verschaft inzake de constitutionele structuur ten aanzien van de overzeese gebieden v an de desbetreffende staat en de constitutionele positie van de overzeese gebieden. Vervolgens wordt ingegaan op democratische vertegenwoordiging, de sociaal economische verhouding, financiën, defensie, openbare orde en de beslechting van geschillen. Bij de behandeling van deze onderwerpen wordt met name aandacht besteed aan de vraag aan wie de bevoegdheid toekomt om de desbetreffende onderwerpen te reguleren.

PAGE – 8 ============
8 Daarenboven zijn er ook elementen in de statutaire rechts relatie die helemaal geen overeenkomsten vertonen met de constitutionele structuur van andere staten: wezenlijk voor het Koninkrijk is dat de gekozen structuur het sterke verschil in grootte en bevolkingsomvang tussen Nederland en de andere drie Landen tot uitdrukking brengt door een zeer sterk Nederlands overwicht in de Koninkrijksorganen te scheppen, die in essentie de in de Grondwet geconstitueerde Nederlandse Landsorganen zijn, aangevuld met vertegenwoordigers van de andere drie Landen. Deze organen ope reren als orgaan van het Koninkrijk in beginsel ook volgens dezelfde normen als Nederlandse Landsorganen, waarbij het Statuut aanvullende normen schept om de andere drie Landen een zekere mate van invloed op de besluitvorming op Koninkrijksniveau te bieden . De constitutie van h et Koninkrijk ligt weliswaar primai r in het Statuut, maar in belangrijke mate toch in de Grondwet besloten, hetgeen ertoe leidt dat de constitutie van het Koninkrijk een gelaagd karakter heeft. Dat Nederland en het Koninkrijk optisch en Nederland, respectievelijk het Koninkrijk wel geheel verschillende bevoegdheden toekomen is een uit deze constructie voortvloeiend probleem dat in de rechtspr van de bevoegdheidsverdeling tussen het Koninkrijk en Nederland. 4 Ook het feit dat als het gaat om aangelegenheden van het Koninkrijk Nederland een grote dominantie heeft, maar dat daarvan rechtens geen sprake i s als de Landen autonome bevoegdheden uitoefenen , leidt nog wel eens tot onduidelijkheden. In zijn klassieke studie over het Statuut omschrijft C. Borman het Koninkrijk dan ook laatst soeverein Koninkrijk, waarbij de organen van het Koninkrijk grotendeels samenvallen met die van het grootste land, op het niveau van het Koninkrijk slechts enkele taken worden verricht en vanwege het Koninkrijk een beperkte invloed kan worden uitgeo 5 §2. Een smalle rechtsband De koninkrijksconstructie is er evenzeer een, waarbij de gekozen staatkundige relatie tot een staatsrechtelijk minimum beperkt is. Niet alleen zijn er maar weinig aangelegenheden die tot de bevoegdhedensfeer van het Koninkrijk behoren (de buitenlandse betrekkingen, de defensie en beperkte toezichthoudende taken op met name Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn in wezen de voornaamste) 6 , ook overigens is er, op basis v an vrijwillige samenwerking, niet bijster veel van de grond gekomen: hoewel de vier Landen op tal van punten samenwerkingsrelaties hebben, heeft dit toch nooit de realiteit doorbroken van een Koninkrijk waarbinnen er vooral afstand bestaat tussen de partne rs, niet alleen geografisch, maar ook juridisch. Zo is het Koninkrijk geen monetaire unie, geen douane – unie en zelfs geen vrijhandelszone. Ook in de relatie tot de EU komt dit naar voren: zowel de drie Caribische Landen als Caribisch Nederland vallen onder de LGO – regeling, waardoor het recht van de Unie maar beperkt van toepassing is. In dat kader is het opvallend te noemen dat het Statuut geen ruimte laat voor formele zelfstandige bevoegdheden op het terrein van de buitenlandse betrekkingen van de Caribisc he Landen. Alleen het Koninkrijk zelf kan verdragen met vreemde mogendheden of volkenrechtelijke organisaties 4 Koninkrijk is de Wet raadplegend refer endum, die een beperkte mogelijkheid in het leven riep tot het houden van een raadplegend referendum over Rijkswetten (art. 5 onder f.). Een Nederlandse wet kan echter geen bevoegdheid scheppen waaraan de producten van de (hiërarchisch hogere) Rijkswetgeve r onderworpen kunnen worden, zoals hier wel gebeurde. 5 Borman 2012, p. 27. 6 Artikel 3 lid 1 vermeldt nog het Nederlanderschap, waarover later meer, en een aantal andere bevoegdheden op Koninkrijksniveau, maar veel hebben die niet om het lijf. De voornaamste overige Koninkrijksaangelegenheid is de uitlevering, maar die wordt voor N ederland in een Nederlandse formele wet geregeld en functioneert dus in Nederland niet als zodanig.

PAGE – 9 ============
9 sluiten en deze in werking doen treden of opzeggen. Daar staat tegenover dat het Statuut er wel zorg voor draagt dat Aruba, Curaçao en Sint Maarte n vrij intensief betrokken worden bij de onderhandelingen met betrekking tot verdragen die hen aangaan (art. 24). Ze hebben bovendien een vetorecht ten aanzien van de gelding en de opzegging van financieel – economische verdragen (art. 25 Statuut) en het Kon inkrijk treedt als hun gemachtigde op bij het aangaan van dergelijke verdragen (art. 26 Sta tuut). Bovendien ruimt artikel 28 de mogelijkheid in dat Aruba, Curaçao en Sint Maarten zelfstandig lid kunnen worden van volkenrechtelijke organisaties waar het Kon inkrijk lid van is, als het betreffende verdrag dat mogelijk maakt. 7 §3. Democratische vertegenwoordiging Het ene, ongedeelde Nederlanderschap waarvan ten laatste sinds 1954 sprake is heeft evenzeer niet buitengewoon veel om het lijf. In verreweg de mee ste landen brengt het staatsburgerschap van dat land in ieder geval twee fundamentele rechten met zich: het recht om zich vrij te verplaatsen en zich vrij te vestigen binnen de eigen staat en het recht om het actieve en passieve kiesrecht uit te oefenen vo or de nationale volksvertegenwoordiging die volksvertegenwoordiging die de wetgeving voor de staat als geheel vaststelt. Zelfs voor het burgerschap van de EU is dit het geval: EU – burgers hebben het recht zich binnen de Unie vrij te verplaatsen, binnen de grenzen die het Europese recht daar aan stelt, en EU – burgers hebben het kiesrecht voor het Europees Parlement uit hoofde van hun EU – burgerschap. 8 Binnen het Koninkrijk is dat echter niet het geval. Uit kracht van artikel 3 lid 1 onder f van het Statuut h oudt het Koninkrijk toezicht op de regelingen met betrekking tot de toelating en uitzetting van Nederlanders. Daaruit volgt derhalve dat de Landen zelf de bevoegdheid hebben om regels te maken met betrekking tot de toelating en uitzetting van Nederlanders. Voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten geldt dat zij wettelijke regelingen hebben met betrekking tot de toelating en uitzetting van Nederlanders tot hun Land. De regelingen verschillen onderling enigszins, maar ze maken alle onderscheid tussen Nederlanders d ie uit het eigen Land komen en andere Nederlanders. Ook Nederland maakt gebruik van deze bevoegdheid, zij het slechts ten aanzien van Caribisch Nederland. 9 Voor het Europese deel van Nederland geldt dat er geen wettelijke regelingen zijn die de toegang tot dat deel van Nederland voor Nederlanders reguleren. Vrij verkeer van personen is er, kortom, wettelijk gezien niet binnen het Koninkrijk der Nederlanden, al wordt die reguleringsbevoegdheid vooral in en voor het Caribische deel van het Koninkrijk benut. lid van het Statuut aan iedere Nederlander het kiesrecht voor algemeen vertegenwoordigende lichamen in het Land waar hij verblijf houdt, maar dat recht ri cht zich nadrukkelijk op de eigen, lokale volksvertegenwoordiging(en): de Nederlander die in het Europese deel van Nederland woont heeft het kiesrecht voor de raad van zijn gemeente, zijn eigen Provinciale Staten en de Tweede Kamer; de 7 Het Statuut bestendigt hier overigens een oudere traditie: na de grondwetsherziening van 1922 was het reeds gebruikelijk geworden dat Nederlands – Indië dee l nam aan onderhandelingen die het Koninkrijk voerde over verdragen die dit staatsdeel in het bijzonder aangingen. Nederlands – Indië was bovendien reeds op eigen titel lid van een aantal internationale organisaties en bezat ook reeds een aantal eigen diplom atieke vertegenwoordigingen in staten waarmee het bijzondere betrekkingen onderhield. 8 Dat is althans de huidige opvatting van het HvJ EU over de verhouding tussen het burgerschap van de Unie en het kiesrecht voor het Europees Parlement, zo blijkt uit de Delvigne – uitspraak, HvJ EU 6 oktober 2015, zaak C – 650/13. 9 Door middel van de Wet Toelating en Uitzetting BES. Deze wet is de inhoudelijk enigszins gewijzigde en op grond van de Invoeringswet BES als Nederlandse wet afgekondigde Landsverordening Toelatin g en Uitzetting van de Nederlandse Antillen, oorspronkelijk uit 1962.

PAGE – 10 ============
10 Nederlander die in B onaire woont heeft het kiesrecht voor de eilandsraad van Bonaire, de Tweede Kamer en het Bonaireaanse Kiescollege voor de Eerste Kamer; de Nederlander die in Curaçao woont heeft het kiesrecht voor de Staten van Curaçao. Het tweede lid van artikel 46 maakt het de Landen mogelijk om Nederlanders die geen verblijf houden in het eigen Land het kiesrecht voor vertegenwoordigende lichamen in dat Land te geven en maakt het tevens mogelijk om aan niet – Nederlanders die in het eigen Land legaal verblijf houden het ki esrecht te verlenen. Alleen het Land Nederland heeft tot op heden van die mogelijkheden gebruikt gemaakt door Nederlanders buiten Nederland het kiesrecht voor de Tweede Kamer te verlenen en aan niet – Nederlanders het kiesrecht voor de raden der gemeenten en de eilandsraden toe te kennen. De Nederlanders die vast verblijf houden in Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben echter het kiesrecht voor de Tweede Kamer niet, tenzij zij ten minste tien jaar vast verblijf in Nederland gehad hebben, zo regelt art. B1 twe ede lid onder a Kieswet. De Statuutgever gaat er derhalve van uit dat iedere Nederlander die binnen het Koninkrijk gevestigd is het actieve en passieve kiesrecht voor de volksvertegenwoordiging(en) van zijn eigen Land geniet, terwijl Nederlanders buiten he t Koninkrijk op grond van de Nederlandse Kieswet het kiesrecht voor de Tweede Kamer hebben. 10 Dat is ook goed te verdedigen nu de vier Landen ieder beschikken over een eigen volksvertegenwoordiging (en het Land Nederland daarnaast ook nog over lokale volksv ertegenwoordigingen, uiteraard) die beslissend betrokken is bij de vaststelling van de eigen formele Landswetgeving en de controle op de eigen Landsregering. Ten aanzien van de Staten – Generaal geldt echter dat ze daarnaast samen met de regering van het Kon inkrijk betrokken zijn bij de vaststelling van de formele wetgeving op het niveau van het Koninkrijk, terwijl de Nederlanders in Aruba, Curaçao en Sint Maarten in sterk overwegende mate niet het kiesrecht voor de Staten – Generaal bezitten. Dit . 11 §4. Sociaaleconomische verhoudingen Het sociale en economische voorzieningenniveau wijkt in de Caribische delen van het Koninkrijk af van dat van Nederland. Ten aanzien van Aruba, Curaçao en Sint Maarten geld t dat de vaststelling van wetgeving en het voeren van beleid op die terreinen behoort tot de autonome Landsbevoegdheden, evenals dit voor Nederland het geval is. Slechts voor zover er in de Caribische Landen sprake zou zijn van een volstrekt onaanvaardbaar niveau van voorzieningen, waardoor de fundamentele mensenrechten 10 Naast de nationale volksvertegenwoordigingen binnen het Koninkrijk staat natuurlijk het Europese Parlement. Lange tijd gold dat het kiesrecht hiervoor uitgesloten was voor Nederlanders woonachtig in Aruba en de Nederlandse Antillen, tenzij dezen ten minste tien jaar in Nederland gewoond hadden. Het HvJ EU verklaarde deze regeling in zijn uitspraak inzake Eman en Sevinger (HvJ EG, arrest van 12 september 2006, zaak C – 300/04) in strijd me t het EU – recht, met name met het non – discriminatieverbod, nu het kiesrecht voor het Europees Parlement wel toekwam aan Nederlanders in derde landen die niet aan die tienjaars – eis voldeden. De Nederlandse wetgever heeft vervolgens besloten om het kiesrecht voor het Europees Parlement op dezelfde voet als voor andere Nederlanders ook aan Nederlanders in Aruba en de Nederlandse Antillen toe te kennen. Bij de overtuiging dat dit een bevoegdheid van de Nederlandse wetgever is, kunnen overigens gerede twijfels wo rden geuit: er valt veel voor te zeggen dat de bevoegdheid om aan Nederlanders in Aruba, Curaçao en Sint Maarten het kiesrecht voor het Europees Parlement toe te kennen aan de formele wetgevers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten toekomt, niet aan de Nederl andse wetgever. 11 Wel zijn er stromen inkt gewijd aan mogelijke oplossingen, variërend van het beter benutten van de bestaande statutaire instrumenten tot het stemrecht voor leden van de drie Statencolleges bij de behandeling van voorstellen van Rijkswet. Zie voor een analyse van die vele voorstellen, alsmede een mogelijke oplossingsrichting voor het probleem de binnen afzienbare tijd te verschijnen dissertatie van G. Karapetian. Ten aanzien van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt het voornoemde niet. Si nds 10 oktober 2010 maken zij als openbare lichamen deel uit van Nederland, eerst op grond van artikel 1 lid 2 Statuut jo. art. 134 Gw, sinds november 2017 op grond van het nieuwe art. 132a Gw. De daar ingezeten Nederlanders hebben dus het kiesrecht voor d e Tweede Kamer en (sinds de inwerkingtreding van art. 132a en de herziening van art. 55 Gw) voor een drietal Kiescolleges dat naast de twaalf Provinciale Staten de Eerste Kamer kiest.

PAGE – 11 ============
11 in het gedrang komen, zou er sprake kunnen zijn van een schending van artikel 43, eerste lid van het Statuut; zou er dan geen mogelijkheid van redres (meer) bestaan door de eigen Landsorgane n, dan zou het Koninkrijk op basis van artikel 43 tweede lid van het Statuut eventueel in kunnen grijpen, waarbij de mogelijkheden tot ingrijpen overigens gekoppeld zijn aan in het Statuut of een Rijkswet of Landsverordening opgenomen wettelijke bevoegdhei d daartoe. Ook in dat geval zal het ingrijpen er op gericht moeten zijn zo snel als mogelijk de autonomie van de eigen organen te herstellen. 12 Deze bevoegdheidsverdeling tussen Koninkrijk en Landen waarborgt dus enerzijds de verregaande autonomie die Aruba , Curaçao en Sint Maarten genieten, ook ten aanzien van sociaaleconomische onderwerpen, maar resulteert anderzijds in grote verschillen tussen de verschillende Landen op dit gebied. 13 Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt dat de bestaande Nederlands – An tilliaanse sociale wetgeving op 10 oktober 2010 grotendeels is overgenomen en in essentie nog steeds geldt. Wel is er inmiddels kinderbijslag ingevoerd en zijn het minimumloon en de onderstand (bijstand) verhoogd, maar het voorzieningenniveau ligt nog alti jd duidelijk lager dan in het Europese deel van Nederland. Tot op heden heeft de regering ook nog steeds geen sociaal minimum voor Caribisch Nederland vastgesteld, ondanks herhaaldelijk aandringen daarop vanuit de Kamers. Hoe dit zich verhoudt tot de onder linge verhouding tussen de artikelen 1 en 132a vierde lid van de Grondwet blijft vooralsnog onduidelijk, zoals bijvoorbeeld in 2016 al is opgemerkt door het College voor de rechten van de mens. 14 Onder de werkin g van art. 1 lid 2 Statuut is een aantal recht szaken gevoerd over de vraag in hoeverre deze afwijkingen constitutioneel en verdragsrechtelijk aanvaardbaar zijn, maar die hebben niet geleid tot aanpassingen in de wetgeving. 15 §5. Financië n Ten aanzien van financiën zien we in wezen hetzelfde beeld. Be ide beleidsterreinen vallen binnen de autonomie van de vier Landen: ieder van hen draagt zorg voor de eigen begroti ngs – en belastingwetgeving . Wel geldt zowel ten aanzien van Curaçao en Sint Maarten (via de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maar ten) 16 als voor Aruba (via de Landsverordening Aruba financieel toezicht) 17 dat er door een apart orgaan, het College financieel toezicht (Cft., resp. CAft . ) toezicht gehouden wordt op de begrotings – en bestedingsdiscipline van deze Landen, met daaraan gekoppelde bevoegdheden tot redres van de Koninkrijksregering. Voor Caribisch Nederland is er een separaat Cft . , dat zijn voorzitter deelt met het Cft. Curaçao en Sint Maarten en het CAft. en het lid voor Nederland deelt met het Cft. Curaçao en Sin t Maarten. Het Cft. BES is ingesteld op basis van de wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de FinBES. 18 §6. Defensie en openbare orde Artikel 3 lid 1 onder a van het Statuut noemt de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk als eerste Koninkrijksaangelegenheid. Defensie is dus een kerntaak van het Koninkrijk en de strijdkrachten in de vier Landen zijn dan ook de strijdkrachten van het Koninkrijk als geheel. Uit dien hoofd e is er dan ook, anders dan voor de inwerkingtreding van het Statu ut, sprake van 12 13 Zo beschikt bijvoorbeeld Aruba wel over wetgeving op het gebied van ziekte en ongevallen en een algemene ouderdomsverzekering, maar geen equivalent van de Nederlandse WW. 14 College voor de rechten van de mens 2016, pag. 6. 15 Zie over deze jurisprudentie nader G. Karapetian/H.G. Hoogers 2018. 16 Stb. 2010, 334. 17 AB 2015, 39. 18 Stb. 2010, 365.

53 KB – 53 Pages