Deze richtlijn richt zich primair op fysiotherapeuten die patiënten In het beloop worden vier fasen onderscheiden die in elkaar over-.

288 KB – 76 Pages

PAGE – 2 ============
V-12/2014 – Update klinimetrie 2017KNGF-richtlijn Beroerte Praktijkrichtlijn J.M. Veerbeek E.E.H. van Wegen R.P.S. van Peppen H.J.M. Hendriks M.B. Rietberg Ph.J. van der Wees K. Heijblom A.A.G. Goos W.O. Hanssen B.C. Harmeling-van der Wel L.D. de Jong J.F. Kamphuis M.M. Noom R. van der Schaft C.J. Smeets T.P.M.M. Vluggen D.R.B. Vijsma C.M. Vollmar G. Kwakkel Alle onderdelen van de richtlijn, inclusief een samenvatting, zijn beschikbaar via www.kngfrichtlijnen.nl.

PAGE – 3 ============
V-12/2014 – Update klinimetrie 2017Creatief concept: KNGF Vormgeving – DTP – Drukwerk: Drukkerij De Gans, Amersfoort Eindredactie: Tertius – Redactie en organisatie, Houten © 2014 Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden ve rveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere m anier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het KNGF. Het KNGF heeft als doel om de voorwaarden te scheppen waardoor fysiotherapeutische zorg van goede kwaliteit gerealiseerd wordt, die toegankelijk is voor de gehele Nederlandse bevolking, met erkenning van de professionele deskundigheid van de fysiotherapeut. H et KNGF behartigt voor ruim 20.000 aangesloten fysiotherapeuten de belangen op beroepsinhoudelijk, sociaal-maatschappelijk en economisc h gebied.

PAGE – 4 ============
IVV-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte InhoudPraktijkrichtlijn 1A Inleiding 1A.1 Definitie KNGF-richtlijn 1A.2 Doel 1A.3 Doelgroep 2A.4 De noodzaak voor een herziening 2A.5 Veranderingen ten opzichte van de eerste editie 2A.6 Scope en positionering 2A.7 Context en gebruik 2A.8 Conceptueel raamwerk richtlijn 3A.8.1 WHO ICF 3A.8.2 Tijdsbeloop 3A.8.3 Het fysiotherapeutisch handelen 3A.9 Methodologieontwikkeling 4A.9.1 Werkwijze 4A.9.2 Literatuuridentificatie 5A.9.3 Datasynthese 5A.9.4 Resultaten 6A.10 Opbouw van het interventiehoofdstuk 6A.11 Beperkingen van deze richtlijn en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek 7A.12 Juridische status van de richtlijn 8A.13 Implementatie van de richtlijn 8A.14 Herziening van de richtlijn 8A.15 Belangenverstrengeling 8A.16 Dankwoord 8A.17 Subsidieverstrekker 8B Algemene (behandel)principes en uitgangspunten van fysiotherapie 8B.1 Organisatie van de revalidatie binnen een stroke service 8B.1.1 Stroke services 8B.1.2 Fysiotherapie op de stroke service 9B.2 Intensiteit van oefentherapie 11B.3 Taak- en contextspecificiteit van trainingseffecten 11B.4 Neurologische oefenmethoden c.q. behandelconcepten 12B.5 Motorische leerprincipes 12B.6 Teleconsultatie/-revalidatie 13 B.7 Zelfmanagement 14B.8 Secundaire preventie: leefstijlprogramma™s met fysieke training 14B.9 Valpreventie 15 C Diagnostisch proces 15C.1 Verwijzing, aanmelding en anamnese 15 C.2 Diagnostische verrichtingen met be hulp van meetinstrumenten 16 C.2.1 Aanbevolen meetinstrumenten 19 C.2.2 Optionele meetinstrumenten 19 C.2.3 Systematisch meten 20

PAGE – 5 ============
VV-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte D Prognosticeren van het functioneren 20D.1 Prognostische determinanten voor functioneel herstel in de eerste zes maanden 22D.1.1 Loopvaardigheid 22D.1.2 Arm-handvaardigheid 22D.1.3 Basale ADL-vaardigheden 23D.2 Prognostische determinanten voor verandering in de chronische fase 23D.2.1 Loopvaardigheid 23D.2.2 Arm-handvaardigheid 24 D.2.3 Basale ADL-vaardigheden 24 E Premobilisatiefase 25E.1 Definiëring van premobilisatie 25E.2 Prognose en natuurlijk beloop in de premobilisatiefase 25E.3 Diagnostiek en zorgverlening bij complicaties in de premobilisatiefase 25 E.4 Duur van de premobilisatiefase 25 E.5 Fysiotherapeutische interventies in de premobilisatiefase 25 F Mobilisatiefase 26F.1 Interventies voor loopvaardigheid en andere aan mobiliteit gerelateerde functies en vaardigheden in de mobilisatiefase (niveau 1) 27 F.1.1 Vroegtijdige mobilisatie uit bed 27 F.1.2 Oefenen van het evenwicht in zit 27 F.1.3 Oefenen van het opstaan en gaan zitten 27F.1.4 Oefenen van het evenwicht in stand zonder visuele feedback van een krachtenplatform 28 F.1.5 Oefenen van houdingscontrole met visuele feedback tijdens staan op een krachtenplatform 28 F.1.6 Oefenen van het evenwicht tijdens verschillende activiteiten 28F.1.7 Loopbandtraining met gewichtsondersteuning 29 F.1.8 Robotgeassisteerde looptraining 29 F.1.9 Loopbandtraining zonder gewichtsondersteuning 30F.1.10 Looptraining op een vaste ondergrond 30F.1.11 Looptraining met externe auditieve ritmen 31F.1.12 Looptraining in een openbare ruimte 31F.1.13 Training van de mobiliteit in een virtuele omgeving 31F.1.14 Groepstraining met werkstations gericht op lopen en andere aan mobiliteit gerelateerde functies en activiteiten 32F.1.15 Oefenen van lopen en andere aan mobiliteit gerelateerde functies en activiteiten met een mantelzorger 32F.1.16 Spierkrachttraining van het paretische been 33F.1.17 Training van het aerobe uithoudingsvermogen 33 F.1.18 Training van het aero be uithoudingsvermogen in combinati e met spierkrachttraining 34F.1.19 Hydrotherapie 34F.1.20 Interventies ter bevordering van de somatosensorische functies van het paretische been 35 F.1.21 Elektrostimulatie van het paretische been 35 F.1.22 Elektromyografische biofeedback (EMG-BF) voor het paretische been 36 F.2 Interventies voor loopvaardigheid en andere aan mobiliteit gerelateerde functies en vaardigheden in de mobilisatiefase (niveau 2) 36 F.2.1 Bilaterale beentraining met ritmische auditieve cueing 36F.2.2 Spiegeltherapie voor het paretische been 37F.2.3 Limb overloading met externe gewichten aan de paretische zijde 37F.2.4 Systematische feedback op loopsnelheid 37F.2.5 Behoud van enkeldorsaalflexie middels een statafel of nachtspalk 37F.2.6 Manuele passieve gewrichtsmobilisaties van de enkel 37F.2.7 Oefeningen voor de bewegingsuitslag van de enkel met behulp van speciaal daarvoor ontwikkelde apparatuur 38F.2.8 Ultrageluid voor het paretische been 38F.2.9 Segmentale spiervibratie bij een voetheffersparese 38F.2.10 Oefenen op een trilplaat 38F.3 Hulpmiddelen ter verbetering van het zich verplaatsen in de mobilisatiefase 38 F.3.1 Loophulpmiddelen ter verbetering van de loopvaardigheid 38 F.3.2 Beenorthesen ter verbetering van de loopvaardigheid 39F.3.3 Oefenen van zelfstandig rijden in een handbewogen rolstoel 39

PAGE – 6 ============
VIV-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte F.4 Interventies voor arm-handvaardigheid in de mobilisatiefase (niveau 1) 39F.4.1 Therapeutisch positioneren van de paretische arm 39 F.4.2 Reflex-inhiberende houdingen en immobilisatietechnieken voor de paretische pols en hand 40F.4.3 Het gebruik van air-splints rondom de paretische arm en hand 40F.4.4 Ondersteunende technieken en hulpmiddelen voor de preventie of behandeling van glenohumerale subluxatie en/of hemiplegische schouderpijn 40 F.4.5 Bilaterale armtraining 41 F.4.6 (Modified) Constraint-Induced Movement Therapy en immobilisatie 41 F.4.7 Robotgeassisteerde training van de paretische arm 43 F.4.8 Spiegeltherapie voor de paretische arm en hand 43F.4.9 Training van de paretische arm en hand in een virtuele omgeving 44F.4.10 Elektrostimulatie van de paretische arm en hand 44F.4.11 Elektromyografische biofeedback (EMG-BF) voor de paretische arm en hand 45 F.4.12 Spierkrachttraining van de paretische arm en hand 45 F.4.13 Fixatie van de romp tijdens training van de paretische arm en hand 46 F.4.14 Interventies ter bevordering van de somatosensorische functies van de paretische arm en hand 46 F.5 Interventies voor arm-handvaardigheid in de mobilisatiefase (niveau 2) 46 F.5.1 ‚Continuous passive motion™ voor de schouder 46F.5.2 Subsensorische elektrische en vibratiestimulatie van de paretische arm 46 F.5.3 Groepstraining met werkstations gericht op de paretische arm 47 F.5.4 Passieve bilaterale armtraining 47F.5.5 Mechanische armtrainer 47 F.6 Interventies voor ADL-vaardigheden in de mobilisatiefase 47 F.6.1 Vaardigheden van het algemeen dagelijks leven (ADL) 47F.6.2 Training bij dyspraxie ter verbetering van ADL-zelfstandigheid 47 F.6.3 Interventies geri cht op het (her)leren en hervatten van vrijeti jds- of dagbesteding in de thuissituatie 48 G Cognitieve revalidatie 48 G.1 Cognitieve revalidatie gericht op aandachtsproblemen 49 G.2 Cognitieve revalidatie gericht op geheugenproblemen 49G.3 Cognitieve revalidatie gericht op (hemi)neglect 50G.4 Cognitie en aerobe training 51 H Rapport age, verslagleggin g en afsluiting 51 Bijlagen 52Bijlage 1 Samenvattende aanbevelingen 52Bijlage 2 Intakeformulier 65

PAGE – 8 ============
2V-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte A.3 Doelgroep Deze richtlijn richt zich primair op fysiotherapeuten die patiënten met een CVA behandelen. Ook medici, verpleegkundigen of andere paramedici die betrokken zijn bij de zorg rond een patiënt met een CVA, familie van de patiënt of mantelzorger(s) en onderzoekers op het gebied van neurorevalidatie/CVA kunnen deze richtlijn consul- teren. Voor patiënten, familie van patiënten en mantelzorgers is een informatiefolder beschikbaar. A.4 De noodzaak voor een herziening Sinds het verschijnen van de KNGF-richtlijn Beroerte in 2004 zijn er veel nieuwe onderzoeksresultaten gepubliceerd die betrekking hebben op revalidatie na een CVA en fysiotherapie in het bijzon- der. Als gevolg daarvan zijn veel aanbevelingen uit de richtlijn die in 2004 verscheen niet langer in lijn met de vigerende evidentie en inzichten. A.5 Veranderingen ten opzichte van de eerste editie Deze tweede editie van de KNGF-richtlijn Beroerte is op een aantal punten aangepast ten opzichte van de eerste editie: † De update van de gecontroleerde effectonderzoeken is geldig tot juli 2011, waarbij in het interventiehoofdstuk (F) uitsluitend aanbevelingen met bewijskracht van het eerste en tweede niveau worden gedaan. † Het natuurlijk beloop en de daarbij behorende functionele prognose na een CVA zijn leidraad voor de inrichting van de behandelrichtlijn. De evidentie voor het toepassen van een interventie is gekoppeld aan het moment van het doormaken van een CVA (fasering na het CVA) en daarmee per fase weerge- ven. † Ten aanzien van de prognostiek wordt niet alleen aandacht besteed aan vroegtijdige voorspelling van functionele uitkom- sten in termen van loopvaardigheid, arm-handvaardigheid en ADL-vaardigheden zes maanden na het CVA. Er is informatie toegevoegd over het identificeren van patiënten die op langere termijn (langer dan zes maanden na het CVA) functionele ver- andering vertonen, dat wil zeggen functionele verbetering of verslechtering. † Er zijn nieuwe interventies opgenomen, waaronder groeps- training met werkstations (‚circuit class training™), oefenen met een mantelzorger (‚family-mediated exercises™), robotgeas- sisteerde looptraining en robotgeassisteerde training van de paretische arm en hand. † De meetinstrumenten zijn kritisch beschouwd; redundante meetinstrumenten zijn verwijderd en er is een aandoenings- specifiek meetinstrument toegevoegd voor kwaliteit van leven; ook zijn instrumenten toegevoegd die neurologische functies, cognitief functioneren, vermoeidheid, depressie en de door de mantelzorger ervaren belasting objectiveren. † De rol van de mantelzorger en naasten is meer onder de aan- dacht gebracht. † Sommige interventies verkeren nog in een experimenteel stadium, zoals ‚transcranial Direct Current Stimulation™ (tDCS), ‚repetitive Transcranial Magnetic Stimulation™ (rTMS) en ‚men- tale training™. Omdat de meerwaarde van deze innovatieve technieken in termen van activiteiten nog onduidelijk is, worden deze alleen op deze plaats in de richtlijn genoemd en niet verder uitgewerkt tot een aanbeveling. A.6 Scope en positionering Deze KNGF-richtlijn heeft betrekking op het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met een CVA binnen het continuüm van zorg. Het gaat hierbij om de organisatie van zorg, diagnostiek en prognostiek, behandelmogelijkheden in de verschillende fasen na een CVA, het evalueren en monitoren van het fysiek functioneren en het afsluiten van de behandeling. De huidige richtlijn is complem entair aan de ‚Ric htlijn Diagnos-tiek, behandeling en zorg voor patiënten met een beroerte™ van Kwaliteitsinstituur voor de Gezondheidszorg (CBO) / Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN), de ‚Zorgstandaard CVA/TIA™ van het Kennisnetwerk CVA Nede rland, alsmede andere monodiscipli- naire (para)medische behandelrichtlijnen. De incidentie van een CVA neemt toe met het stijgen van de leeftijd en is naar schatting 45.000 mensen per jaar in Nederland. Ook de prevalentie steeg de afgelopen jaren en werd geschat op 226.600 in 2007. Gezien de toename van zowel de levensverwachting als de vergrijzing van de Nederlandse bevolking wordt aangenomen dat de prevalentie de komende jaren verder zal toenemen. Het absolute aantal ziekenhuisopnamen vanwege een CVA is met zo™n 50% gestegen in de periode van 1980 tot 2009 en bedroeg 39.614 in 2009 (exclusief dagopnamen). Vr ouwen waren ten tijde van het CVA gemiddeld 72 jaar oud en mannen 69. Het grootste deel van de opnamen (29.590) betrof patiënten met een herseninfarct. In de periode 1980 tot 2009 nam de opnameduur sterk af van 25 naar negen dage n bij mannen en van 32 naar tien dagen bij vrouwen. Niet alleen in Nederland, ook wereldwijd zijn cerebrovasculaire aandoeningen, na kanker, de belangrijkste doodsoorzaak. De sterfte ten gevolge van een CVA is de laatste jaren echter wel gedaald en bedroeg in 2009 in Nederland 9069 personen. Vanuit het ziekenhuis werd 41,3% van de patiënten naar huis ontslagen, 3% naar een verzorgingshuis, 33% naar een verpleeghuis, 8,4% naar een revalidatiecentrum en 2,7% naar een ander ziekenhuis. Van 1,6% van de patiënten was de ontslagbestemming onbekend. 9,9% overleed in het ziekenhuis. De kosten die gemoeid zijn met de zorg voor patiënten met een CVA zijn hoog en bedragen 2,2% van de totale kosten van de gezondheidszorg. De gevolgen van een CVA behelzen niet alleen fysieke, psychische, communicatieve en sociale problemen voor de patiënt. Een CVA heeft ook grote invloed op de naasten (partner, kinderen en familieleden), wat tot aanvullende kosten kan leiden. Naast een hogere leeftijd en mannelijk geslacht zijn risicofactoren voor het krijgen van een (recidief) CVA onder andere: een eerder doorgemaakte TIA of CVA, de aanwezigheid van hypertensie, dia- betes mellitus, roken, coronaire hartziekten, overmatig alcoholge- bruik en lichamelijke inactiviteit. A.7 Context en gebruik Maandelijks verschijnen nieuwe gecontroleerde studies die zijn ge- richt op revalidatie van patiënten met een CVA. Het is dan ook voor de individuele fysiotherapeut welhaast onmogelijk alle publicaties van gecontroleerde studies bij te houden. Updates op basis van meta-analyses, waaronder reviews van de Cochrane Collaboration, lopen vaak te veel vertraging op om ten tijde van publicatie nog actueel te zijn. De KNGF-richtlijn Beroerte is een zo volledig mogelijke reflectie van het in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerde (effect)

PAGE – 9 ============
3V-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte onderzoek naar de meerwaarde van fysiotherapie bij patiënten met een CVA. De aanbevelingen zijn bedoeld om op basis van wetenschappelijke evidentie sturing te geven aan klinische beslis- singen bij het behandelen van patiënten met een CVA. Hiermee vormt de richtlijn de ‚state of the art™ van de evidentie van het fysiotherapeutisch handelen bij deze patiëntengroep. De richtlijn is geen overzicht van alle verrichtingen die fysiotherapeuten in de dagelijkse praktijk uitv oeren. Evenmin zijn de aanbevelinge n in de richtlijn bedoeld als panacee voor de behandeling van een patiënt met een CVA. De oude richtlijn uit 2004 was gebaseerd op 123 randomized con- trolled trials (RC T™s). De huidige richtlijn is uitgebreid met 344 RCT™s en geeft de state of the art weer tot juli 2011. Gezien de exponen- tiële toename van het aantal gepubliceerde effectonderzoeken verwachten de projectgroep en de stuurgroep dat de huidige behandelrichtlijn in 2015 een nieuwe update moet krijgen en dat in de toekomst een min of meer continue update nodig zal zijn. A.8 Conceptueel raamwerk richtlijn Bij het ontwikkelen van de richtlij n zijn als raamwerk gehanteerd: † de ‚International Classification of Functioning, Disability and Health™ (ICF) van de World Health Organization (WHO); † het tijdsbeloop van herstel na een CVA: (hyper)acute (revalida- tie)fase, vroege revalidatiefase, late revalidatiefase en revalida- tie in de chronische fase; † het proces van het fysiothe rapeutisch hande len: de diagnos-tiek en prognostiek, de interventie, de evaluatie en monito- ring, en de afsluiting van de behandeling. A.8.1 WHO ICF De WHO ICF dient als structuur voor de opbouw van de richtlijn. Het fysiotherapeutisch proces is gericht op het optimaliseren van stoornissen in functies, beperkingen in activiteiten en participa- tieproblemen, waarbij eveneens aandacht wordt besteed aan de context van het gezondheidsprobleem van de patiënt. Hierbij gaat het onder andere om interacties tussen de patiënt en de omgeving zoals de inrichting van de (gezondheids)zorg, sociale factoren als mantelzorg en de fysieke omgeving. Daarnaast is de ICF voor de in- dividuele fysiotherapeut een hulpmiddel om het functioneren van de patiënt met een CVA vanuit een breder perspectief te ordenen en te presenteren. A.8.2 Tijdsbeloop Het herstel na een CVA verloopt niet lineair, maar in een kromme, waarbij in de eerste dagen tot maanden verreweg het meeste herstel plaatsvindt. In het beloop worden vier fasen onderscheiden die in elkaar over- lopen en niet scherp zijn afgebakend: (Hyper)acute (revalidatie)fase – [H]AR: duur 0 tot 24 uur. Deze fase wordt gekenmerkt door medische diagnostiek, voorko- men van progressieve schade aan de hersenen en secundaire complicaties. Er wordt gestreefd naar tijdige mobilisatie en vroegtijdig geïnitieerde revalidatie. Vroege revalidatiefase – VR: duur 24 uur tot en met 3 maan- den. Deze fase wordt gekenmerkt door revalidatie, gericht op restitutie van functie en, indien dit niet mogelijk is, op het aanleren van compensatiestrategieën, zodat beperkingen in activiteiten en participatie worden voorkomen of verminderd. Zo nodig wordt aandacht besteed aan aanpassingen in de omgeving of zorgverlening aan huis. Late revalidatiefase – LR: duur drie tot zes maanden. Deze fase is een vervolg op de vroege revalidatiefase, waarin de nadruk ligt op het voorkomen of verminderen van beperkingen in acti- viteiten en participatie. Zo nodig wordt aandacht besteed aan aanpassingen in de omgeving of zorgverlening aan huis. Revalidatie in de chronische fase – RC: duur langer zes maanden. Deze fase wordt gekenmerkt door ondersteuning en begeleiding van de patiënt (‚support™, i.e. behoud en preventie), met als doel het ver werkingsproces te ondersteu- nen, het maatschappelijk functioneren en het leren omgaan met beperkingen te optimaliseren, het behoud van de fysieke fitheid te bevorderen en de kwaliteit van leven te monitoren. In geval van functionele verbetering of verslechtering wordt gericht ingezet op respectievelijk (tij delijk) continueren van de therapie of het opnieuw bereiken van het na de initiële revali- datie bereikte niveau van functioneren. Let op: De behandeling is eindig. Ze wordt afgesloten indien de behandeldoelen zijn gerealiseerd of indien de fysiotherapeut van mening is dat fysiotherapie geen toegevoegde waarde meer heeft, dan wel inschat dat de patiënt de doelstellingen zelfstandig kan bereiken zonder fysiotherapeutische begelei- ding. Figuur 1 brengt het onderscheid in beeld tussen de verschillende fasen. A.8.3 Het f ysiotherapeutisch handelenHet fysiotherapeutisch methodisch handelen bestaat uit een acht- tal stappen. In de huidige richtlijn zijn deze acht stappen gegroe- peerd tot: ‚diagnostiek en prognostiek™ (stap 1 t/m 4), ‚interventie™ (stap 5 en 6) en ‚evaluatie en monitoring™ (stap 7 en 8). In tabel 1 staat in welk hoofdstuk een stap terug te vinden is. Figuur 1. Tijdlijn (niet op schaal getekend) met de verschillende fasen na een CVA. vroege revalidatiefase(VR) revalidatiefase(LR) TIJD 0-24 h dagenweken maand 3 maanden6 maanden * revalidatie in de (hyper)acute fase *revalidatie chronische fase(RC)late

PAGE – 10 ============
4V-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte A.9 Methodologieontwikkeling A.9.1 Werkwijze Voor de herziening van de richtlijn is gebruikgemaakt van het AGREE II-instrument en de ‚Richtlijn voor richtlijnen™. In de periode december 2010 tot en met juli 2013 heeft de herziening van de KNGF-richtlijn Beroerte plaatsgevonden op basis van een subsidie van het KNGF aan het Vrije Universiteit medisch centrum (VUmc). De projectgroep, bestaande uit de heer prof. dr. G. Kwakkel (pro- jectleider) en mevrouw J.M. Veerbeek MSc (projectmedewerker, fysiotherapeut), werd hierbij aangestuurd door de stuurgroep. In de stuurgroep hadden zitting: de heer dr. R.P.S. van Peppen (programmamanager opleiding Master fysiotherapie Hogeschool Utrecht, fysiotherapeut), de heer dr. Ph.J. van der Wees (senior onderzoeker Radboudumc, Afdeling IQ healthcare, Nijmegen), Karin Heijblom, (senior beleidsmedewerker ‘Kwaliteit van de vakuitoe- fening™ van het KNGF), de heer dr. H.J.M. Hendriks (epidemioloog, fysiotherapeut Fysiotherapie Maasstaete, Druten), de heer dr. E.E.H. van Wegen (senior onderzoeker VUmc) en de heer drs. M.B. Rietberg (paramedisch manager afdeling Revalidatiegeneeskunde VUmc). De projectgroep en de stuurgroep stelden zich bij aanvang van dit project per deelgebied de volgende vragen. Organisatie van zorg † Wat is de effectiviteit van stroke units voor overleving en mate van herstel van patiënten met een CVA? † Wat is de positie (c.q. het domein) van de fysiotherapeut bin- nen het continuüm van zorg bij patiënten met een CVA? † Over welke competenties dient een fysiotherapeut te beschik- ken om zorg van de beste kwaliteit te leveren aan patiënten met een CVA? Diagnostiek en prognostiek † Welke determinanten gemeten in de (hyper)acute (revalidatie) fase en in het begin van de vroege revalidatiefase zijn bepa- lend voor het herstel van vaardigheden van patiënten met een CVA gedurende de eerste zes maanden na het CVA? † Welke determinanten zijn bepalend voor functionele verande- ring zes maanden na het CVA en daarna? Interventie † Welke interventies vallen binnen het domein fysiotherapie? † Wat is de evidentie voor deze fysiotherapeutische interventies bij patiënten met een CVA? † Welke lacunes bestaan er in het wetenschappelijk onderzoek naar CVA binnen het domein fysiotherapie? Evaluatie en monitoring † Welke meetinstrumenten zijn betrouwbaar, valide, responsief en klinisch bruikbaar tijdens de behandeling van patiënten met een CVA? † Hoe en op welke momenten dient het functioneren van de patiënt met een CVA te worden gemonitord en geëvalueerd gedurende het fysiotherapeutisch proces? Om de klinische vragen te beantwoorden en consensus te krijgen over de geformuleerde aanbevelingen is een monodisciplinaire werkgroep (de zogeheten eerste kring) ingesteld van inhouds- deskundigen uit de eerste-, tweede- en derdelijns gezondheids- zorg, bestaande uit: de heer A.A.G. Goos, de heer W.O. Hanssen, mevrouw B.C. Harmeling-van der Wel, de heer L.D. de Jong MSc, mevrouw J.F. Kamphuis, MSc, mevrouw M.M. Noom, de heer R. van der Schaft, mevrouw C.J. Smeets, de heer T.P.M.M. Vluggen MSc, de heer D.R.B. Vijsma en mevrouw C.M. Vollmar. Deze deskundigen hadden tot taak om concepten van de richtlijn te beoordelen en zijn meerdere malen bij elkaar gekomen om discussiepunten te bespreken en consensus te bereiken. Tabel 1. De stappen van het methodisch handelen met he t hoofdstuk waarin de stap staat beschreven. Stap van het methodisch handelenHoofdstuk 1 aanmelding, oriëntatie op de hulpvraag, screening en informatie aan de patiënt 2 anamnesegesprek 3 fysiotherapeutisch onderzoek 4 formulering van de f ysiotherapeutisc he diagnose en indicatiestelling 5 behandelplan 6 uitvoering van de behandeling 7 evaluatie 8 afsluiting diagnostisch proces: hoofdstuk C en D therapeutisch proces: hoofdstuk B, E, F en G evaluatie, monitoring, verslaglegging en afsluiting: hoofdstuk C en H

PAGE – 11 ============
5V-12/2014 – Update klinimetrie 2017Praktijkrichtlijn KNGF-richtlijn Beroerte Nadat consensus in de eerste kring was verkregen, is de richtlijn voorgelegd aan vertegenwoordigers van onder andere de verschil- lende beroepsorganisaties die eveneens betrokken waren bij de interdisciplinaire behandeling van patiënten met een CVA, maar ook de patiëntenvereniging is geconsulteerd (de zogeheten tweede kring). Deze vertegenwoordigers hadden tot taak te beoordelen of de richtlijnen in strijd waren met opvattingen vanuit hun eigen discipline of het patiën tenperspectief. De werkgroep tweede kring bestond uit een afvaardiging vanuit: De Hart&Vaatgroep; Ergo- therapie Nederland; Kennisnet werk CVA Nederland; De Neder- landse CVA-vereniging ‚Samen Verder™; Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie; Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie; Nederlandse Vereniging voor Neurologie; Nederlandse Vereniging voor Neur opsychologie; Nederlandse Ve reniging van Revalidatieartsen; Nederlands Instituut van Psychologen, sectie Revalidatie; Nederlands Huisartsen Genootschap; Nederlands- Vlaamse Beroepsvereniging voor Neur opsychologen; Verenso specialisten in ouderengeneeskunde; Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland, afdeling Neuro & Revalidatie; Werkgroep CVA Nederland. A.9.2 Literatuuridentificatie Voor de herziening van de KNGF-richtlijn Beroerte heeft de iden- tificatie van de literatuur voor de interventies zich beperkt tot het vinden van systemati sche reviews en rando mized controlled trials (RCT™s) waarin alleen patiënten met een CVA werden geïncludeerd of apart geanalyseerd. Systemati sche reviews zijn slechts gebruikt als bron voor de identificatie van primaire studies. Aan de hand van trefwoorden is er systematisch gezocht in de elektronische databases PubMed, EBSCO host /Excerpta Medica Databank (EMBASE), EBSCO host /Cumulative Index of Nursing and Allied Health Literature (CINAHL), Wiley/Cochrane Library Central Register of Controlled Trials (CENTRAL), Cochrane Database of Systematic Reviews (CDSR), Physio- therapy Evidence Database (PEDro) and SPORTDiscusŽ. Daarnaast is literatuur gezocht door het raadplegen van relevante reeds ontwik- kelde (inter)nationale richtlijnen, statements en algoritmes: † ‚Richtlijn Diag nostiek, behandeling en zorg voor patiënten met een beroerte™ (2008) van CBO/NVN; † ‚Zorgstandaard CVA/TIA™ (2012) van het Kennisnetwerk CVA Nederland; † ‚National Clinical Guideline for Stroke™ (2012) van het ‚Royal College of Physicians UK™; † ‚Management of patients with stroke or TIA: assessment, inves- tigation, immediate management and secondary prevention – a national clinical guideline™ (2008) van het ‚Scottish Intercol- legiate Guidelines Network™; † ‚Guidelines for management of ischaemic stroke and transient ischaemic attack™ (2008) van de ‚European Stroke Organisation (ESO) Executive Committee™; † ‚Comprehensive overview of nursing and interdisciplinary rehabilitation care of the stroke patient: a scientific statement from the American Heart Association™ (2010) van de American Heart Association; † ‚Canadian Stroke Strategy, Canadian best practice recommen- dations for stroke care, update 2010™ van de Canadian Stroke Network en de Heart & stroke foundation of Canada; † ‚Evidence-based review of stroke rehabilitation™ van Teasell et al. (2012); † ‚Clinical Guidelines for Stroke Management 2010™ van de Australian National Stroke Foundation; † ‚Clinical Guidelines for Stroke Management 2010™ van de Stroke Foundation of New Zealand en de New Zealand Guidelines Group; † ‚Helsingborg Declaration 2006 on European Stroke Strategies™; † relevante reviews van ‚The Cochrane Collaboration™; † het in ontwikkeling zijnde algoritme voor de paretische arm door het ‚Worldnetwork Upper limb stroke rehabilitation™. De literatuuridentificatie had betrekking op publicaties in de Engelse, Nederlandse, Franse, Duitse, Spaanse en Portugese taal. A.9.3 Datasynthese Aanbevelingen voor de interventies De aanbevelingen voor de interventies zijn geformuleerd op basis van meta-analyses. De resultaten van individuele RCT™s zijn gepoold indien er twee of meer RCT™s van voldoende methodolo- gische kwaliteit beschikbaar waren die eenzelfde interventietype onderzochten en uitkomstmaten op hetzelfde domein rapporteer- den. Er moet worden opgemerkt dat de beschrijving van interven- ties in de wetenschappelijke literatuur vaak summier is, waardoor het niet altijd duidelijk is wat de therapie precies heeft ingehou- den. Dit maakt de vertaling naar een behandelrichtlijn in concrete handelingen op het gebied van fysiotherapie bij patiënten met een CVA in sommige gevallen onmogelijk. Voor het formuleren van aanbevelingen op het gebied van cogni- tieve revalidatie is gebruikgemaakt van bestaande (inter)nationale richtlijnen en recente systematische reviews. Weging van de bewijslast Conform de ‚Ric htlijn Diagnostiek, behandeling en zorg voor patiënten met een beroerte™ van CBO/NVN wordt weging gegeven aan het formuleren van behandelrichtlijnen door middel van het onderzoeksdesign, het aantal uitgevoerde studies en de kwaliteit daarvan. Zo wegen resultaten die voortkomen uit meta-analyses en RCT™s zwaarder dan bevindingen die voortkomen uit niet-verge- lijkend onderzoek. De traditioneel te onderscheiden niveaus zijn in tabel 2 weergegeven. Tabel 2. Indeling van onderzoeksresultaten naar bewijskracht voor interventiestudies. A1 Systematische reviews die ten minste enkele RCT™s van A2-ni veau betreffen, waarbij de resultaten van de afzonderlijke onderzoeken consistent zijn. A2 RCT™s van goede methodologische kwaliteit en voldoende omvang en consistentie (PEDro-score van 4 punten of hoger). B RCT™s van mindere methodologische kwaliteit en quasi-experimenteel onderzoek (PEDro-score van 3 punten of minder). C Niet-vergelijkend onderzoek; pre-experimenteel onderzoek. D Niet ondersteund door onderzoek. Mening van deskundigen.

288 KB – 76 Pages